woensdag 7 juni 2017

Het Nederlandse Y-chromosoom.

In dit artikel doe ik voor mijzelf een poging om overzicht te krijgen in de geschiedenis van het Y-chromosomale DNA van Nederland. Ik heb hier met name gebruik gemaakt van deze site, waarop ook mooie verspreidingskaarten staan.

De laatste jaren is de kennis over DNA sterk toegenomen, in het bijzonder de resolutie waarmee verscheidene takken van de Y-chromosomale stamboom kan worden onderzocht. De kennis verandert dan ook met de dag, dus ik houd er rekening mee dat wat ik hier schrijf volgend jaar wel aangevuld of gewijzigd dient te worden. Dit DNA, dat van vader op zoon wordt overgedragen, is om die reden van belang voor de genetische genealogie, en zegt veel over de aard en geschiedenis van de mens. Er zijn grote verschillen tussen de verspreiding van de haplogroepen van het Y-chromosoom en die van het door de moeder overgedragen mitochondrische DNA; de rechte vrouwelijke lijn is veel constanter, en egaler verdeeld over de wereld. De verspreiding van de rechte mannelijke lijn is echter door patriarchaliteit, oorlogen en polygamie in de prehistorische tijd veel meer aan verandering onderhevig geweest.

De geschiedenis van het Y-chromosoom in de Lage Landen begint zodra de moderne Cro-Magnon-mens zich in Europa gevestigd heeft, vanaf zo’n 40.000 jaar geleden. Hier heeft hij zich gemengd met de Neanderthaler. Van de laatste is in de moderne mens geen Y-DNA meer bewaard gebleven. De Cro-Magnon-mens behoorde waarschijnlijk tot de oudste haplogroepen, zoals A, heden ten dage voornamelijk in Afrika aanwezig, BT, C, dat in restjes nog voorkomt in Europa, en F.
In de latere Magdalénien-cultuur (17.000 – 12.000 v.Chr.) zijn de eerste sporen van de als inheems Europees beschouwde haplogroep I te zien.

Na de IJstijd, rond 12.000 v.Chr., verspreidde zich haplogroep I2, met wat restanten F en C weer over Europa. Zeker 7% van de Nederlanders heeft haplogroep I2. Een deel zal van de West-Europese jager-verzamelaars afstammen, doch een ander deel is vermoedelijk aan deze haplogroep gekomen via de Neolithische landbouwers. Deze uit Griekenland en Anatolië afkomstige landbouwers, die vanaf 5000 v.Chr. in onze streken aankwamen, behoorden massaal tot haplogroep G2a, in onze streken vandaag nog minder dan 5% aanwezig. Hiernaast namen zij haplogroepen E, H2, J2a, R1b-V88 en T mee, en ook incorporeerden zij meer I2 van allerlei jager-verzamelaars die zij langs de Donau en de Rijn tegenkwamen. Niet alle E en G2a is al in het neolithicum in onze streken aangekomen; beide haplogroepen behoorden wel tot het Europese neolithicum, maar de Europese nakomelingen uit haplogroep E-V13 hebben een gemeenschappelijke voorvader van rond 3000 v.Chr. en lijkt evenals sommige G2a-takken door de Indo-Europeanen geïncorporeerd vanuit de Cucuteni-cultuur, bekend om haar grote steden, toen zij zich vanaf 3500 v.Chr. uit Oekraïne verspreidden. Een zelfde lot geldt ook voor sommige takken van J. Wat overige takken van E betreft: De afstammelingen van E-M81 delen een voorvader niet verder terug dan 1000 v.Chr. Deze tak is dominant in Noord-Afrika, en aanwezig in delen van Spanje en Frankrijk. Er zou een verband kunnen zijn met de Carthagers. Andere takken zouden restanten kunnen zijn van kleinere neolithische lijnen, of binnen het Romeinse Rijk verspreid zijn.

Een grote omwenteling wat betreft de vaderlijke lijn kwam met de komst van de Indo-Europeanen. Allereerst kwam de Touwbekercultuur rond 3000 v.Chr. aanzetten. De dominante haplogroep was R1a. Deze vindt men bij ongeveer 5% van de Nederlandse mannen, in het noordoosten meer dan in het zuidwesten. Nadat een vermoedelijk zuidelijke groep van deze Touwbekercultuur na 2800 v.Chr. in aanraking kwam met de Klokbekercultuur, volgde een explosieve uitbreiding van deze mensen vanuit Midden-Duitsland over West-Europa, waarschijnlijk in combinatie met de verspreiding van een nog algemeen Indo-Europees dialect. Zij bezaten in het bijzonder haplogroepen R1b-L21 en R1b-U152, alsmede kleinere groepen R1b-DF27, R1b-DF19 en R1b-DF11. Vóór deze tijd zijn deze haplogroepen niet gevonden in ook maar één West-Europees prehistorisch lichaam. De oude theorie dat zij een West-Europese paleolithische lijn zouden vertegenwoordigen, is dan ook niet meer aan te houden. 

Hun zustertak R1b-U106 was vermoedelijk reeds eerder meegegaan met de Touwbekercultuur naar Zuid-Scandinavië, alwaar zij één van de dominante lijnen van de Noordse Bronstijd werd. Samen met haplogroep I1, waarschijnlijk afkomstig uit de Trechterbekercultuur, hebben zij zich na 2000 v.Chr. uitgebreid over de Germaanse gebieden. Heden ten dage behoort meer dan 30% van de Nederlanders tot R1b-U106, en meer dan 15% tot I1. Oude verhalen dat I1 op afstamming uit de Vikingen zou duiden, kloppen iniet, omdat I1 dus veel ouder is dan de Vikingen. De invallen die zij in de middeleeuwen hebben ondernomen, kunnen in enkele gevallen natuurlijk wel hebben geleid tot lijnen met Viking-achtergrond in ons land; inderdaad hebben sommige takken van I1 een meer Noord-Germaanse verspreiding; andere weer een meer West-Germaanse.

De Romeinse overheersing lijkt niet tot veel nieuwe instroom te hebben geleid, behalve misschien enkele specifiek Romeinse lijnen van R1b-U152, J, E en T. Hiervoor is echter een betere resolutie van deze haplogroepen nodig. De hierop volgende volksverhuizingen leverden meer Germaanse lijnen op. Hierna is er tot aan de huidige dag altijd een instroom geweest van meer Duitsers, alsmede Vlamingen, wat Engelsen en Fransen, die allen een bijdrage hebben geleverd aan het Nederlandse Y-DNA.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen