woensdag 17 januari 2018

FTDNA: mt Full Sequence test

Het is een drukke periode; dat geldt ook voor deze blog. In de vernieuwde kwartierstaat kunnen nu al wijzigingen worden aangebracht, en ik werk ook nog aan het laatste kwart dat nog niet vernieuwd is, dat van mijn grootmoeder vaderszijde. Dit is het meest uitgebreide gedeelte, dus dat vergt meer tijd dan gedacht. Ik vermoed dat het in de loop van het voorjaar verschijnt.

Ondertussen ben ik diep in de genetica gedoken, want ik wil graag weten hoe het allemaal zit, en wat mijn plaats is in de grote menselijke stamboom. Deze maal heb ik bij FTDNA mijn rechte moederlijke lijn laten bepalen. Deze stamt af van Marijtje Breedveld, geboren ca. 1735 te Moordrecht. Uit de eerdere test van LivingDNA was mij reeds bekend dat ik tot haplogroep W5 behoorde.

De mt Full Sequence test is de diepste test op het gebied van mitochondrisch DNA, het DNA dat iedereen van zijn moeder krijgt. De test levert het gehele genoom van de mitochondriën, dat uit 16569 basenparen bestaat. Het is hiermee een stuk kleiner dan het DNA van de chromosomen in de celkern. Een belangrijke taak van mitochondriën is het leveren van energie voor de cel. Dat de mitochondriën eigen DNA hebben dat los staat van de celkern, is vermoedelijk te wijten aan hun oorsprong; zij lijken te zijn ontstaan als onafhankelijke bacteriën, die door de vroege eukaryotische cellen opgeslokt werden, en het bleek een vruchtbare samenwerking te zijn.

Bij de test wordt het eigen mitochondrisch genoom vergeleken met de twee standaarden, de Cambridge Reference Sequence (rCRS), het eerste mitochondrisch genoom dat was uitgelezen, en de Reconstructed Sapiens Reference Sequence (RSRS), het gereconstrueerde genoom van de mitochondriale Eva. Hierbij kan op basis van de verschillen tussen het eigen genoom en de referenties de haplogroep bepaald worden.

FTDNA heeft mij de haplogroep W5a2 gegeven, dat in overeenstemming is met het eerder bekende resultaat. Ook de zeer handige analyse van James Lick voorspelt dit resultaat. Mark Wade, die zich uitgebreid bezig houdt met haplogroup W, geeft een soortgelijk resultaat, met hierbij de opmerking dat het kan gaan om een nog naamloze subgroep W5a2a; wanneer er genoeg anderen zijn met dezelfde resultaten, kan de naam officieel in gebruik worden genomen. In het volgende schema van hem ben ik de Nederlander rechtsonder. De mutaties heb ik verwijderd, omdat zij in sommige gevallen invloed kunnen hebben op iemands gezondheid.

W5a2 tree (Mark Wade 2018)


De matches die in de boom te zien zijn, alsmede bij FTDNA zelf, zijn voornamelijk Duitsers, wat Engelsen, en enkele Scandinaviërs. Gezien de geschatte leeftijd van de groep, denk ik dat mijn lijn zich een plek heeft verworven onder de proto-Germanen. Ik heb één exacte match, een Duitser. Volgens FTDNA zou dit betekenen dat wij 95% zeker een voormoeder delen binnen 22 generaties (dus ongeveer na AD 1300). Volgens anderen muteert het mitochondrisch DNA echter een stuk langzamer, misschien eens per 1000 jaar, en dien ik dan de gemeenschappelijke voormoeder misschien rond AD 1000 of zelfs AD 500 te zoeken. Wat dit betekent voor de voorgeschiedenis van mijn Moordrechtse lijn, is een goede vraag. Moordrecht behoorde tot het gebied dat gedurende de middeleeuwen ontgonnen werd. De bewoners kwamen dan van de Hollandse duinkust of van de omringende streken als het Delfland, de Alblasserwaard of Utrecht. Verder was er in Holland zelf een aanhoudende immigratie van lieden uit het oosten; het kan zijn dat ergens in de vroege of late middeleeuwen een vrouw uit Duitsland vertrok en uiteindelijk in Moordrecht terecht kwam. Het valt momenteel niet uit te maken of dit dan in één keer gebeurd is. Het kan ook dat eerst een Duitse vrouw (of Saksisch/Hessisch etc., als we van Duits kunnen spreken in de vroegere middeleeuwen) zich in bijvoorbeeld een Hanzestad in Overijssel gevestigd heeft, en dat een afstammelinge zich enkele eeuwen later vanuit daar naar Holland vertrok, toen het economische zwaartepunt zich daarheen verplaatste. 

Genoeg mogelijkheden dus; de lijn zelf is vrij zeldzaam; het voordeel hiervan is dat het overzicht vrij duidelijk is; het nadeel is dat er dus niet veel matches zijn.

vrijdag 5 januari 2018

Een tweede DNA test: FTDNA

Eerder heb ik bij LivingDNA een DNA test ondernomen, om de ethnische herkomst te beschouwen. Zij waren hier naar mijn mening vrij nauwkeurig in. Wat vooral opviel was dat een afkomst uit de Lage Landen eigenlijk niet goed onderscheiden kon worden van een Engelse afkomst. Dit alles komt uiteraard door de verwevenheid van beide bevolkingen (denk bijvoorbeeld aan Saksen, maar ook aan Kelten). Nu heb ik ook bij FTDNA naast het Y-chromosoom ook de Family Finder test gedaan. Deze test geeft een ethnische herkomst (My Origins), een prehistorische herkomst (Ancient Origins), alsmede een lijst met autosomale "matches".

Goed, laten we zien wat ze ervan gemaakt hebben. Hier onder de ethnische herkomst uit My Origins:


Ter herinnering: LivingDNA gaf mij wel 68% Brits, en bijna 20% Scandinavisch. Hier zien we ook dat Nederlanders eigenlijk tussen West-Centraal Europees en Brits inzitten. Deze test betekent dus niet dat ik half Brits ben, maar wel dat er heel veel overlap is tussen de Britten en de Nederlanders. Opvallend is de hoeveelheid Zuid- en Zuidoost-Europees. Dit is met name Italië en Griekenland. Hier valt volgens mij in ieder geval mijn 1/16 Joods bloed onder (die zij dus niet hebben ondergebracht in hun "Ashkenazi" categorie), en wellicht een derde element dat aanwezig is in sommige Nederlanders, vermoedelijk voornamelijk in het zuiden van het land. Zij schatten tevens dat ik 5% niet-Europees ben, verdeeld over 3% Zuidoost-Aziatisch, en nog 2% Noordoost-Aziatisch, Centraal Aziatisch (bij hun uitleg is dit Pakistan en Noord-India), en Oceanisch (Papua en omgeving). Naar mijn mening is LivingDNA wat Europa betreft zeker nauwkeuriger, hoewel zij nog in de kinderschoenen staan.

Als Ancient Origins wordt de volgende afstamming gegeven:


Dit laat ik voor wat het is; het ziet er aannemelijk uit; er is echter zoveel meer mogelijk, zoals ik een volgende keer zal schrijven. De afstamming uit prehistorische volkeren is een gebied dat een razendsnelle ontwikkeling doormaakt en zal nog interessanter worden.

Family Finder is een matching-systeem, waarin genetische matches zitten. Momenteel heb ik bijna 1100 matches. De helft hiervan zijn Asjkenazi Joden. Dat dat er zoveel zijn, komt doordat zij zich relatief vaak laten testen, en omdat deze groep in de middeleeuwen zo klein was, dat de huidige Asjkenazim zeer nauw aan elkaar verwant zijn. In ieder geval is dit een bewijs dat ik verwant ben aan deze groep. De andere helft zijn vaak (andere) Amerikanen, Engelsen, Duitsers, enkele Scandinaviërs, maar - gelukkig - ook Nederlanders en Belgen. 
Sommige matches hebben een stamboom toegevoegd. In veel gevallen lukt het niet om de gemeenschappelijke bron te vinden; of het is verder terug dan de ca. acht generaties die men heeft toegevoegd, of de match is toevallig. Ik heb één match genealogisch kunnen verifiëren; dit is nota bene de dichtsbijzijnde match! Wij delen enkele grote stukken op chromosoom 4. De gemeenschappelijke voorouders blijken Aart den Otter (*1774) en zijn vrouw Willemke Beverloo te zijn. Dit betekent dat deze lijn biologisch in ieder geval klopt (eigenlijk zijn er nog anderen nodig die ons beiden op dit stuk matcht met dezelfde stamboom; twee Nederlanders matchen, maar hun stamboom is onbekend), en we hebben foto's van oude familieleden kunnen uitwisselen. Zonder de match waren we nooit op elkaars spoor gekomen.

FTDNA is één van de grote genetische bedrijven. De etnische herkomst die MyOrigins zou naar mijn mening echter heel veel beter kunnen, het is nu wel heel globaal, en kan tot verwarringen leiden wanneer dit te letterlijk wordt geïnterpreteerd. Het sterkste punt is Family Finder, vanwege de grote hoeveelheid mensen die in de database staan.

donderdag 4 januari 2018

Gedachten over de oorsprong der families Van der Heijden uit Passewaaij en Zennewijnen

Vincent van der Heijden, januari 2018

Het is opvallend te noemen dat rond 1700 twee families Van der Heijden hun oorsprong vinden in twee naast elkaar gelegen dorpjes Passewaaij en Zennewijnen, langs de oever van de Waal. Ondanks dat er meerdere families met die naam in de streek zijn (bijvoorbeeld een grote familie uit Zoelen, één in Tiel, en meerdere in de Bommelerwaard, alsook in het Land van Maas en Waal), zijn er geen aanwijzingen dat deze twee families tot één van de andere behoren. In dit artikel onderzoek ik of het soms mogelijk is dat de Passewaaijse en de Zennewijnense families soms aan elkaar verwant zijn.



De familie in Passewaaij

In Passewaaij lijkt de familie aan te vangen met Gerrit Claassen van der Heijden, en diens waarschijnlijke broer Hermen Claassen van der Heijden. Zij zullen in de periode 1680-1690 geboren zijn. In die periode is in Passewaaij een Claes Arijens woonachtig, naar het schijnt de enige met die voornaam in dat dorp op dat moment. Hij laat in 1684 te Wadenoijen, waar Passewaaij onder valt, met zijn vrouw Geertje Jans een dochter Grietje dopen. Zij zouden de ouders kunnen zijn van Gerrit en Hermen. Tenslotte heeft Gerrit nog een dochter Girreken (=Gerritje, Geertje). 

Deze Claes Arijens is waarschijnlijk ook in Tiel te vinden; er zijn gevallen bekend dat lieden uit Passewaaij en Drumpt kinderen te Tiel lieten dopen. In Tiel zijn er nog drie kinderen gedoopt met vader Claes Arijens, namelijk Grietje (1681), Jan (1682) en Gerrit (1686). Het is waarschijnlijk dat het hier om dezelfde Claes gaat; immers, het gat tussen Jan en Gerrit is goed te vullen met de Grietje uit 1684, die dan zelf vernoemd is naar een eerder overleden zusje, en Jan kan vernoemd zijn naar zijn grootvader van moederszijde. Dit zou dus betekenen dat er een Claes uit Passewaaij is met een zoon Gerrit. De enige die hiervoor in aanmerking lijkt te komen is Gerrit Claassen van der Heijden. Het is dus mogelijk om Claes Arijens als stamvader de zien van deze familie. 

Een tweede aanwijzing vormt vervolgens de vondst van een Grietje van der Heijden te Tiel, die in 1716 huwt met Jan Jansz Elbers (van Nimwegen) uit Nijmegen. Ik kan haar niet koppelen aan de “stad-Tielse” familie Van der Heijden, maar het is mogelijk om haar te beschouwen als lid van deze familie in Passewaaij; onder haar vier kinderen zit tweemaal een dochter Gerritje (dan vernoemd naar Geertje Jans). Van de getuigen bij de dopen van haar kinderen zijn er twee bekend: Jacomijn van der Heijden en Aartje Deckers. De eerste zou op het eerste oog een zuster kunnen zijn, maar zij kan evengoed, misschien zelfs eerder de vrouw van Gerrit Claassen van der Heijden zijn, die Jeexken (Jacksken = Jacomina) heette. Aartje Deckers huwde te Tiel in 1697 met Hendrick Jans Pels, en is zelf afkomstig uit Passewaaij. Haar vader was Gerrit Jans Decker uit Passewaaij. Misschien is dit wel een broer van Geertje Jans; dan zou Aartje Grietjes nicht zijn. In ieder geval heeft deze Grietje banden met Passewaaij en is hierom vermoedelijk de Grietje die te Wadenoijen in 1684 is gedoopt.

Het is alleen jammer dat de doop van Hermen Claassen van der Heijden niet gevonden kan worden; er zitten wat hiaten in het doopboek van Wadenoijen. Hiernaast is er ook vermoedelijk een zuster Heelken (misschien Eelken), die getuige was bij de doop van een dochter van Gerrit Claassen van der Heijden. Hermen zou zijn dochter Aaltje naar haar vernoemd kunnen hebben.

In Wadenoijen huwt in 1700 een Arijen Claassen van Uijen, “uit Passewaaij”, met Margaretha Roshoff, uit Götterswickerhamm onder Wesel. Ondanks dat Arijen de herkomstnaam “van Uijen” voert (Uijen = Uden), is het goed mogelijk dat ook hij tot het gezin van Claes Arijensz behoort; immers, Claes was de enige met die voornaam te Passewaaij rond 1680; bovendien zou ik verwachten dat Claes ook nog een zoon Arijen zou noemen, naar zijn eigen vader. Het is dus mogelijk om Arijen als Van der Heijden te beschouwen, en dit zal naar blijkt van belang zijn voor de Zennewijnense familie.


De familie in Zennewijnen

In Zennewijnen vangt onze familie Van der Heijden aan met Jan van der Heijden, en zijn zusters Johanna en Clasijntje. Zij zullen geboren zijn rond 1700/5. Van Zennewijnen zijn geen doopboeken bekend uit die periode, omdat het tot de parochie van Ophemert behoort, waarvan de doopboeken pas in 1730 aanvangen. In de trouwboeken van rond 1700 is geen spoor van een Van der Heijden, dus de ouders zijn elders gehuwd. Op grond van de voornamen die alle kinderen krijgen is wel een en ander te bedenken.

Jan van der Heijden en Maria van der Burgh krijgen twaalf kinderen. Zij zullen vernoemd zijn zoals gebruikelijk was in die tijd; het vernoemingspatroon was wel hetzelfde als later, maar overleden familieleden kregen veelal de voorkeur over nog levende familieleden. Van de twaalf kinderen zijn er een aantal die vermoedelijk niet naar Maria’s kant vernoemd zijn, en dus naar Jans familie vernoemd zullen zijn, namelijk Ariaantje, Teunis, Margarita, Arie, Jan, Johanna en mogelijk ook Hendrik. Jan lijkt naar hemzelf vernoemd; Johanna naar zijn zuster. Hendrik kan als jongste mogelijk vernoemd zijn naar Jans zwager Hendrik van Helvert, of naar een oom van Maria van der Burgh. Voor Jans ouders of jong overleden broers en zusters komen dus de namen Teunis/Arie en Ariaantje/Margarita in aanmerking. Jans zuster Johanna van der Heijden kreeg één dochter Margrietje, wier naam niet voorkomt in de vaders familie. Zuster Clasijntje had geen kinderen.

Op grond van deze vernoemingen lijkt het een interessante aanname dat zij mogelijk de kinderen zijn van Arijen Claassen van Uijen, de mogelijke broeder van Gerrit en Hermen Claassen van der Heijden, en van Margaretha Roshoff. Zij zijn dan na hun huwelijk te Passewaaij in 1700 de Waal afgezakt naar Zennewijnen. Jan kan vernoemd zijn naar Arijens mogelijke broeder Jan (1682), Clasijntje naar vader Claes, en Johanna naar moederszijde. Jans eigen zoon Teunis is dan misschien naar een niet nader bekende jong overleden broeder vernoemd.

Margaretha Roshoff is helemaal uit Götterswickerhamm afkomstig, dat bij Wesel ligt. Interessant is de vondst van Jenneke Gerrits Roshoff, ook uit Götterswickerhamm. Zij huwt (katholiek) te Andelst op 26 december 1697 met Willem Jacobs van Raeij. Zij hebben voorzover ik zie vier kinderen Jacob (1698), Joanna (1700), Henricus (1703) en Henrica (1706). Mogelijk is zij Margaretha’s zuster. Bij haar huwelijk woonde Jenneke in Nijmegen. Misschien woonde Margaretha daar ook wel even, voordat ze richting Tiel is gereisd.


Brabant?

Het is dus mogelijk om de families uit Zennewijnen en Passewaaij aan elkaar te verbinden, maar alleen als de aannames kloppen; het kan net zo goed even anders zitten. Hiervoor zijn notariele akten nodig, die maar al te vaak nooit zijn opgemaakt. Tevens spreken we over een periode waarin achternamen vaak achterwege werden gelaten. Sterker nog, wanneer bovenstaande aannames kloppen, dient uitgelegd te worden waarom Arijen Claassen zich “van Uijen” noemt bij zijn huwelijk, en niet “van der Heijden” zoals dan zijn vermoedelijke broeders én zijn vermoedelijke kinderen zich noemen. Arijen huwt in 1700. Pas 15 jaar later, bij Gerrits huwelijk is de naam Van der Heijden te vinden. Rond 1700 werden velen nog niet met achternaam genoemd, hoewel er al wel een toename was ten opzichte van 1670. Degenen die met achternaam genoemd werden, droegen in deze streek uitzonderlijk vaak een herkomstnaam. Zo noemen vooral families van buiten zich naar hun plaats van herkomst, een voorbeeld is de familie Van Lith. Een familie Van Eck maakt het wel heel bont; zij stonden eerst als Van Avezaath bekend, en eerder in Avezaath als Van Doorn. Ik vermoed dus dat de familie zich weliswaar reeds Van der Heijden noemde, maar in die tijd van optionele vermelding van familienamen bekend stond als de familie “van Uden”.



Het is vermoedelijk dan de vader Claas die uit Uden komt, maar dat is iets voor verder onderzoek, en op het moment speculatie. Het zou echter wel in overeenstemming zijn met de achternaam Van der Heijden zelf, die vooral in het oosten van Noord-Brabant voorkomt. De naam is dan waarschijnlijk reeds in Uden gevoerd, een dorp omringd door heidevelden. Ook mijn DNA-lijn, die veel meer in overeenstemming is met een continentaal-Keltische afkomst dan met een Germaanse zou kunnen duiden op een herkomst ten zuiden van de rivieren. Zijn we dan Brabants? Uden was geen onderdeel van Brabant, maar van het Land van Ravestein. In ieder geval zijn er voorlopig genoeg speculaties die nader onderzocht kunnen worden.

donderdag 21 december 2017

Peterke van Lith: deel 3

Drie jaar geleden legde ik mijn gedachten op de afkomst van Trijneke van Lith (*1806 Wadenoijen), de vrouw van voorvader Martinus van der Heijden. Trijneke werd geboren als onechte dochter van Peterke van Lith. De identiteit van Peterke is tot op heden eigenlijk nooit duidelijk geworden; ik keer terug naar de kwestie, omdat ik meen dat mijn argumenten in die tijd niet goed doordacht zijn.

Het probleem

In het dorp Wadenoijen, waar wij haar moeten zoeken, waren er in dezelfde tijd vijf vrouwen, allen familie van elkaar, die de naam Peterke van Lith droegen. Dit zijn:

1. gedoopt te Wadenoijen op 24 april 1763, dochter van Jan Leenderts van Lith en van Trijneke de Heus.
2. gedoopt te Wadenoijen op 29 april 1772, dochter van Leendert van Lith en van Wijntje van Oort.
3. gedoopt te Wadenoijen op 26 december 1774, dochter van Frans van Lith en van Rijntje van Thuil.
4. gedoopt te Wadenoijen op 28 maart 1779, dochter van Jan van Lith en van Johanna Stellaard.
5. gedoopt te Wadenoijen op 18 april 1779, dochter van Geurt van Lith en van Teuntje van Thuil.

Nummer 3 en nummer 5 vallen af; dit zijn namelijk:
3. Peterke van Lith, gehuwd vóór 1802 met Aalbert van Driel, later met Jan van Oort. Zij overlijdt te Geldermalsen op 7 september 1831, 56 jaar oud. Op grond van de leeftijd en de namen van haar kinderen is zij nummer 3.
5. Peterke van Lith, gehuwd op 30 juni 1805 met Hendrik van Ommeren. Opvallend is dat zij in 1802, dus voor het huwelijk reeds een dochter Teuntje krijgt, waarvan Hendrik beweert de vader te zijn.

Dan resteren nummer 1, 2 en 4.

Ik heb toentertijd nummer 1 afgeschreven, op grond van het volgende:
Peterke van Lith, gehuwd op 1 maart 1805 met Christiaan de Heus. Zij overlijdt te Wadenoijen op 28 maart 1837, 75 jaar oud. Haar geboortedatum komt overeen met de doopdatum voor 1. Dit betekent wel dat hier sprake is van een neef-nichthuwelijk.

Het argument dat de leeftijd vermeld op de overlijdensakte overeenkomt met de doopdatum van 1, is echter niet voldoende om nummer 1 ook af te schrijven, want “onze” Peterke voldoet hier ook aan: bij haar overlijden te Wadenoijen op 24 december 1836 wordt beweerd dat zij 74 jaar is.
We zouden dus net zo goed nummer 1 voor de andere Peterke kunnen afschrijven.
Een van beide zal zich vergist hebben bij de overlijdensaangifte. Het meest waarschijnlijk is dan een vergissing van tien jaar, tenslotte lijken zestig en zeventig best wel op elkaar; één van beide kan dan ook op nummer 2 (*1772) kunnen duiden.

Meer argumenten dat onze Peterke nummer 1 betreft, komt uit het volgende; in 1799 laat één van de Peterkes ook een buitenechtelijk kind dopen, Jan. Zijn overlijden op 15 juni 1820 wordt aangegeven door zijn oom Herbert van Lith, en zijn neef Willem van Lith. De moeder van deze Jan is dus een zuster van Herbert van Lith, dat in overeenstemming is met nummer 1. Zou zij dan niet ook de moeder van onze Trijneke zijn? Anders gezegd: is het waarschijnlijker dat één iemand tweemaal een buitenechtelijk kind krijgt, of dat twee met dezelfde naam dit onafhankelijk van elkaar overkomt?
                Dat is een vraag die per situatie zal verschillen. Het is echter opmerkelijk dat de ouders van nummer 1 de voornamen “Jan” en “Trijneke” dragen, precies de namen van de onechte kinderen. Ook het onechte kind dat Trijneke later zelf krijgt, draagt de voornaam Jan; zij zou dan haar broeder vernoemd kunnen hebben.

Waarom dan nummer 4?

Als reden voor het verkiezen van nummer 4 boven nummer 1, had ik de volgende redenatie: Trijnekes onechte zoon Jan van Lith had twee zoons. De eerste noemde hij naar zijn stiefvader Martinus van der Heijden. De tweede noemde hij Simon. Er zijn geen bekende Simons in de familie van zijn vrouw; echter, Peterke nummer 4 had een broer Sijmen. Aangezien deze naam niet heel vaak voorkomt, zou Jan dus een oudoom vernoemd kunnen hebben.
                Dit argument houdt echter geen stand meer naar mijn mening, omdat Trijneke haar oudste wettige zoon Hermanus van der Heijden noemt, zonder dat deze naam in beide families voorkomt. Elders vind ik ook families waarbij kinderen of kleinkinderen uit buitenechtelijke verbintenissen voornamen krijgen die niet bekend zijn in de families en dus wel van de onbekende vader zullen komen. Simon hoeft dus helemaal niet naar een bekend familielid vernoemd te zijn. 
Daarnaast kunnen we ons het volgende afvragen: nummer 4 is geboren in 1779. Bij het overlijden in 1836 zou zij dan 57 jaar oud zijn. Dit is een heel ander getal dan 74, en het lijkt mij vrij lastig om deze twee getallen door elkaar te halen. Argumenten die dus nummer 4 verkiezen boven nummer 1, zijn er dus eigenlijk niet.

Wat nu?

Als er eigenlijk geen prangende reden is om nummer 4 aan te nemen als onze Peterke, dan heeft nummer 1 de voorkeur, omdat haar ouders “Jan” en “Trijneke” dan vernoemd zijn. Bovendien zou het dan kunnen dat Trijnekes zoon Dirk Jan van der Heijden vernoemd is naar haar oom Dirk (Janse) van Lith. De andere Peterke, die met Christiaan de Heus huwt, is dan vermoedelijk nummer 2, dat dan betekent dat haar echtgenoot niet haar neef is.

T.z.t. zullen dan (wederom) in de kwartierstaat Jan van Lith x Johanna Stellaard vervangen worden door Jan van Lith x Trijneke de Heus.

Ik zie eigenlijk maar één mogelijkheid om dit vraagstuk op te lossen; DNA kan hier een rol spelen. Ik zie de volgende mogelijkheid:

1) Een afstammeling van onze Peterke van Lith in rechte vrouwelijke lijn kan haar mitochondrisch DNA testen. Dit zal iemand zijn die in rechte vrouwelijke lijn van Peterkes kleindochter Petronella van der Heijden afstamt.

2) Wanneer de mitochondrische lijn van onze Peterke bekend is, kan dit vergeleken worden met de mitochondrische lijn van een afstammeling in rechte vrouwelijke lijn van zussen of tantes etc. van Peterke uit meerdere lijnen, dus familie van Trijneke de Heus, maar ook van Johanna Stellaard etc.

3) Er zijn vele mitochondrische groepen, dus de kans dat verschillende Peterke-lijnen dezelfde groep hebben is niet zo groot (maar niet uitgesloten). Wanneer te mitochondrische lijn van Peterke overeenkomt met de mitochondrische lijn van een andere afstammeling van haar verm. moeders familie, dan is er sprake van ondersteunend bewijs voor onze hypothese.

donderdag 30 november 2017

Big Y test

Deze zomer waren er aanbiedingen bij FTDNA. Ik heb toen de Big Y test ondergaan. Dit is op het moment de meest gekochte deep ancestry test voor het Y-chromosoom, de rechte patrilineaire lijn (alleen de Y-Elite test van FGC geeft nog gedetailleerdere informatie, maar is dan ook een stuk duurder). Na wat perikelen, o.a. vanwege de orkaan (het hoofdkwartier staat in Houston), zijn de resultaten er dan toch. Omdat ik hiermee tot de internationale stamboom van de mens behoor, zal ik ten behoeve van eventuele internationale verwanten verdergaan in het Engels.

My Results

The human patrilinear tree is divided into haplogroups A to T, which are the large “tribes” of humanity. Every haplogroup is defined by specific genetic mutations; in most cases, these mutations are found because of SNPs. It was already known that I belong to haplogroup R1b, the most common West-European one. In particular, I belong to the sub-haplogroup R1b-U152, which, as can be seen on this map, is generally found in western continental Europe. In the Netherlands, it is around 5% depending on where in the country one looks.  It is more prolific in the south than in the north.


Spread of haplogroup U152 (Eupedia)


My Big Y result can be summarized as R1b-U152 > Z56 > Z145 (BY1823).
I was assigned BY1823. This is an SNP which, together with some other SNPs, like Z71, define the sub-haplogroup Z145. Generally, most people of this haplogroup, and as far as I can see that includes me, test positive for all these mutations, so the haplogroup can be called Z145 or Z71 or BY1823. When someone pops up testing negative for one of these, he will split the branch in two. I will proceed calling it Z145.

The Big Y results show a list of tested SNPs, divided into named variants (those which are generally known, and have been given names, like Z145), and unnamed variants (these may be mutations in one’s personal line; at the moment I have 27 unnamed variants). If unnamed variants are shared by more than one person, it may very well receive it’s own name and define a new branch. To the right, one may see a list of matches. To define who is a match, FTDNA decided to take everyone who has less than 40 mutational differences. As can be seen from the image, I do not have any matches at the moment, which means that no one who is a “recent” (say AD 500 and closer) patrilinear relative has tested so far.

no matches for me yet..


Interpretation

The question that we all would like to answer is: Where do I come from? In this particular case: What is my fatherline’s (pre-)history? In order to find an answer one has to look not just to one’s own data, but to the whole tree. In my view, I have to combine many things; I have to see the structure itself of the tree. Then I have to see how old the branches are. When that has been done, I can look at the people forming the branches. Where do they say their furthest known ancestor comes from? In this way, we may obtain geographical patterns within certain subgroups. On top of this, I may use my knowledge of linguistics and pre-history, in order to think of plausible ways to connect the genetics with. Finally, I hope to be able to connect my own line within the whole story. Side note: when I discover new samples, I may review the story if that is necessary.

First, let’s have a look at the structure and age of R1b-U152. An extensive tree, built up from individuals having taken the Big Y or Y Elite test, is Alex Williamson's Big Tree. For ages, we may take Iain McDonald’s P312 tree. According to him, U152 did originate slightly before 2700 BC. The oldest U152-sample known today, a man from the Eastern Bell Beaker Culture, excavated in Bavaria, is dated to about 2550 BC. This man was an immigrant, since he was genetically close to Ukrainians. Other early U152 is found in the general Bell Beaker population, as is its sister branch L21. It is generally assumed that U152, like its sister branches, spread from the western Eurasian steppe along with the spread of Indo-European in Europe. It is indeed interesting that some of the earliest U152 branches that have split off, are found along the eastern Carpathian mountains. How exactly it then spread to Central Europe, is not entirely known, but it did so fairly quickly. Once there, it seemingly ended up in the various archaeological cultures following Bell Beaker, such as Unetice, Tumulus, Hallstatt, Villanova and La Tène. For migration maps of these cultures, I like this site because of the beautiful maps (with his linguistic stuff I do not fully agree).

The most important branches of U152 are L2, Z36, Z56 and Z193. L2 is the most prolific; in the Benelux, about threequarters of U152 is L2. It seems to have spread already early, since Bell Beaker skeletons have been discovered positive for L2. Z36 is generally found in the Alps (Helvetii) and surrounding areas, including the “Belgae” territory; its spread seems connected to the La Tène culture. Z56 is much present in Italy, but is also observed in many other places like France, Germany, the British Isles. It does occur in the Benelux, but at low levels. Following Eupedia’s reasoning, Z56 would in many cases indicate a Italic ancestry, and therefore in some instances a Roman ancestry. I myself think this is only the case for a few branches; let’s just see what Z56 has to tell us.

Here a schematic view of Z56 that I drew based on data I could find, which are discussed below:

Tree of Z56, with speculations about cultures it spread with


McDonald does not provide a specific age of Z56, but he does so for its immediate descendant Z43, to which all Z56 members belong, except for a Southern French, a few Italians; it is dated ca. 2450 BC. This is by itself enough to discard it as purely Roman or Italic; the Italic languages, like Latin’s predecessor, Oscan, Umbrian etc. are according to the most common hypothesis supposed to have entered Italy from about 1250 BC, during the Urnfield culture with the Villanovan culture. If some branches are Italic, then before that they should have come from Central Europe (Southern Germany and surroundings). Examining the sub-branches of Z56, it seems most likely to me that it had already diffused a bit over Central Europe in different directions; then different subclades ended up in several later migrations, such as the Hallstatt and La Tène expansions, and the migrations of Gauls to Northern Italy and of Italic people to Italy. In any case, it seemed overshadowed by L2.

Z56 has a few loose branches, one of them containing one German, and some subbranches, which I will now discuss. BY3538 is a small subbranch, dating to perhaps 1400 BC, to which a Frenchman, a Spaniard, a German, and a possible Dutch individual belong. The age and spread suggest to me that this branch was one of many others that spread with the Urnfield culture already.
BY3544, a second branch of Z56 splits in two: one small branch consisting of a Polish/Prussian family and another branch S1523, dated ca. 1750 BC. I would also place this branch in Southern Germany.  We can follow its further history quite well. It splits in three; one small branch splits off to which an Alsatian family belongs. The second branch, BY770 dates to around 650 BC. It has members in Southern Germany, Switzerland, England, and Spain, suggesting it remained in Southern Germany and spread with the Hallstatt or La Tène culture. One Ashkenazi family is known to belong to this clade; they probably picked it up in the early middle ages along the German Rhine cities, though Yfull also shows a Sardinian man belonging here. It may of course be that some Celts of this branch took part in the Gallic migration to northern Italy (Gallia Cisalpina) and that it from there entered Sardinia later on and the Roman Jewish community. The third branch is BY807. It contains a Southern German too, and a man from Jersey, suggesting this branch remained within the “Gaulish Celtic” sphere too. Also the larger mostly Ashkenazi cluster, known as L4, dating to the middle ages, belongs here.
S47 is the third branch I want to look at. It can be dated too to around 1750 BC. It has quite some members in the Provence, a few Italians, a Swiss, a Bavarian family, a few English and a Spaniard. The branch is also present in Sweden and Ukraine; it seems likely that this branch was already split in the Tumulus period (ca. 1300 BC), at that time present in Central Europe, but with migrations to the north and east, with possibly later spreading by Gauls to the Provence.



Celtic/Gallic tribes arising from the Hallstatt and La Tène cultures (wikimedia commons).


Let’s now take a look at my own branch, Z145. McDonald dates it to ca. 1400 BC. Some would say this is an Italic branch, though I am not certain about that. Z145 consists of two main branches, PF6577, Z72, and some loose branches.
The first main branch PF6577 dates to around 1100 BC. This branch can be split too again; first, we have an Alsatian and an Italian family that split off. The remainder consists of a German, a Sardinian, and several English people; there is one notable English cluster dating to around 200 BC. It may have come with Gaulish tribes like the Belgae or Iceni. The presence in Italy is interesting, but could also have been the result of the Cisalpine Gauls. Note that some Gaulish tribes such as the Boii migrated a lot.
The second main branch, Z72, dates to about 250 BC, and can be characterized as almost completely Italian. This branch is likely to have spread with help of the Romans, which it did; it is also present in Marseille, and in England. The question is, can we call this an Italic branch? Besides some Central Italian families, it is also present along the Ligurian coast, Bologna and Lombardy. It must have come to Italy between 1400 BC and 250 BC, and afterwards spread during the Roman period. It may fit the spread of Italic people from Central Europe to Italy around 1200 BC (as is the main hypothesis), though it can’t have been the only Italic lineage. It seems likely to me that Italic tribes also possessed Z36, L2, Z193, and some branches outside of U152. The Z72 lineage remained small for a long time and only expanded during the Roman period. A second idea is that it is not Italic, but a Romanized Gallic lineage, introduced by the Gauls when they settled in North Italy (Gallia Cisalpina). In either way, it ended up being a Roman lineage.


The remaining "lonely" Z145 (BY1823) lineages;
interestingly all in Western Europe.
Besides the main branches, there is an Ashkenazi cluster, dating to the middle ages, and spread over eastern Europe. It is yet unclear if this cluster belongs to one of the main branches. Then there are the remaining “loose” branches, which testers got the haplogroup BY1823; they are shown in the map. One branch, dating to ca. maybe 1300 BC until 500 BC consists of an Englishman, American and a Frenchman. Maybe this ended up in the North Western area of the continental Gauls.
[Note 10 december 2017]: I have found that I share the two unnamed SNPs associated with this branch, which means that I belong to this branch dating to somewhere between 1300 BC and 500 BC.

Another loose branch from South-West England, may also have been spread by the Gauls. Then there is a Belgian individual, probably from Walloon Brabant, which I am very keen to know about. It is not known if these loose branches may somehow belong together, I think this is very well possible after more research.


My lineage

version 10 december 2017.

In my unnamed SNP variants I discovered that I share the two SNPs associated with the branch to which also a few English families and a French one belong; it must have originated between 1300 BC and 500 BC. I will later look more closely to this. It was not immediately clear to me, because in the new version of the Y-chromosome used, the numbers of the SNP are different.

The connection with a few English lines and a Western French line does give some clues; it may have arrived from Central Europe in NW Europe (Northern France or Belgium, I think) between 1200 BC and the first centuries BC. The spread in England may have been due to emigration of tribes like the Belgae around the first centuries BC. This could mean that my own lineage could be a Belgae one that stayed within the Low Countries.

woensdag 18 oktober 2017

Buitenechtelijke zaken

Mijn betovergrootmoeder Geertrui van Zanten is geboren te Waardenburg op 20 augustus 1899 als dochter van de ongehuwde Geertje Pellegrom. Wanneer zij acht jaar later huwt met Jacob Cornelis van Zanten, erkent deze het kind. Dit heb ik altijd een vreemde zaak gevonden, want in de tussentijd hebben zij geen kinderen gekregen; als Geertrui hun voorkind was, hadden zij volgens gebruik wel sneller in het huwelijk moeten treden; aangezien zij beiden hervormd waren, was dit geen probleem geweest.

Het zou dus kunnen dat Geertrui geen natuurlijke dochter is van Jacob, maar dat hij haar uit goede wil, uit juridisch oogpunt, of vanwege het taboe op voorkinderen heeft erkend. Er is mij indirect bekend dat mijn overgrootmoeder, Geertruis dochter, beweerd heeft dat Geertrui een "rijkere boer" als vader had. Dit moet zij direct van haar moeder zelf, of haar moeders familieleden gehoord hebben. Wanneer dit inderdaad zo is, dan heeft dit gevolgen voor de kwartierstaat; ik houd deze hier voorlopig echter wel in stand, want het is wel haar wettelijke afstamming; in eerdere generaties zullen ook dit soort zaken gebeurd zijn, die wij nu niet meer kunnen traceren. Wanneer totale duidelijkheid komt over haar biologische afstamming, dan zal een wijziging wel nodig zijn.

Een "rijkere boer" dus. Vanuit de positie van een dienstmeid zullen de meeste boeren wel rijk geleken hebben; maar wie zou hij dan geweest kunnen zijn?  De loopbaan van moeder Geertje Pellegrom als dienstmeid kan aanwijzingen bieden: er is mij het volgende van bekend:

1887, 29 juli: vertrek van Waardenburg naar Zaltbommel
1889, 16 augustus: aankomst Ophemert vanuit Zaltbommel. Dienstbode bij K.B. van Sent.
1890, 4/11 september: terugkeer naar Waardenburg vanuit Ophemert.
1890, 4 november: vertrek naar Zaltbommel.
1891, 28 april: vertrek naar Everdingen vanuit Zaltbommel
1891, 26 juni, terugkeer naar Waardenburg vanuit Everdingen.
1892, 19 mei, vertrek naar Ophemert. Dienstbode bij H. van Blijdenstein.
1892, 29 september/7 oktober: terugkeer naar Waardenburg vanuit Ophemert.
1893, 18 maart: vertrek naar Deil vanuit Waardenburg, alwaar dienstbode bij G.J. van Arkel.
1898: dienstbode bij Gosen van de Water, tevens te Deil.
1899, 18 juli: terugkeer naar Waardenburg vanuit Deil.
1899, 20 augustus: bevalling van dochter Geertrui.
1900, 11 september: vertrek naar Deil.
1902, 25 april: vertrek naar Bleskensgraaf.
1906, 13 september: terugkeer naar Waardenburg vanuit Bleskensgraaf.
1907, 6 maart: samenwoning met echtgenoot Jacob Cornelis van Zanten te Waardenburg, die Geertrui echt als zijn dochter.

Het is te zien dat zij ten tijde van de verwekking van haar dochter dienstbode in Deil was bij Gerrit Johannes van Arkel, of bij Gosen van de Water. Het is niet helemaal duidelijk wanneer zij vertrok bij Van Arkel en naar Van de Water ging; zij is slechts in 1898 bij Van de Water ingeschreven, maar een datum voor de verhuizing wordt in het bevolkingsregister niet genoemd. Van Arkel had een groot verloop van knechten en meiden; bij Van de Water, die tevens nog wat oudere zoons in huis had, was zij de enige dienstmeid. Één van hen, of een bekende bezoeker van hen zal dan wel de vader kunnen zijn.

Geertje keert in juli 1899 hoogzwanger terug naar haar ouders, alwaar ze een maand later bevalt. Het kind laat zij opgroeien bij haar ouders, want zelf keert ze in 1900 terug naar Deil, en is tot eind 1906 dienstmeid. In 1907 huwt zij tenslotte met Jacob Cornelis van Zanten, die Geertrui erkent als zijn kind.

Eventueel biedt DNA-onderzoek uitkomst; hierbij is het echter wel zo dat we wat generaties verder zijn, dus het DNA van verwanten zal best verdund zijn; bovendien hebben we te maken met mensen uit dezelfde kleine streek, dus het zal dan vermoedelijk best lastig zijn om ieder van elkaar te onderscheiden.

vrijdag 13 oktober 2017

De Nederlandse bevolkingsstructuur

Er zijn, al enkele jaren geleden, meerdere artikelen verschenen over de bevolkingsstructuur onder de Nederlanders. Één van hen is het artikel van Lao et al. (2013): Clinal distribution of human genomic diversity across the Netherlands despite archaeological evidence for genetic discontinuities in Dutch population history.

Zij geven een kaart waarbij vijf genetische componenten, waarvan drie dominant, de hoofdrol spelen bij de bevolkingsstructuur onder de Nederlanders. Omdat er een duidelijke structuur is in de verspreiding van deze componenten, luidt hun conclusie dat deze verspreiding van "relatief recente" datum is (d.w.z. vermoedelijk niet prehistorisch), want als deze componenten zeer oud zouden zijn, zouden zij veel meer gemengd moeten zijn door alle ontvolking en herbevolking die in veel streken plaatsgevonden heeft.
Daarnaast is een driehoek te zien, waarbij zij vier clusters aangeven: een noordoostelijk cluster (Friezen en Saksen), een centraal-westelijk cluster (Utrecht, Noord-Holland), een centraal-noordelijk cluster (Overijssel, zuidelijk Drenthe), en een zuidelijk cluster (alles beneden de Lek).



Figuur 4 uit Lao (2013)

Dit geeft wel een duidelijk beeld, maar omdat ik een duidelijker kaart wilde, heb ik gepoogd kaartjes te maken van de belangrijkste drie componenten, waarvan hier het resultaat:

De drie belangrijkste componenten uit Lao (2013), in kaart gezet.


Allereerst, de Randstad is zo goed als grijs gelaten, dit vanwege de vele latere immigratie, die voor een totaal mengsel zorgden in de steden. Ten tweede ontbreken samples uit de Veluwe, dit heb ik dus enigszins moeten gokken, waarbij ik K4 heb laten overlopen langs de IJssel.

Hoe moeten nu deze componenten geïnterpreteerd worden? Ik suggereer het volgende; naar mijn mening biedt dit een logische verklaring; het blijft echter wel een kwestie van speculatie en interpretatie.

De eerste component K1 is het meest egaal verspreid; dit gegeven duidt erop dat het een vrij oude component is; misschien is het een restant van wat de Romeinen "Friezen" noemden, een pre-Germaans of vroeg-Germaanse component; ik vermoed dat het in het noorden van het land oorspronkelijk wijder verspreid was; het piekt nu in de omgeving van Steenwijk, Meppel. Misschien heeft deze component zich vooral daar staande gehouden omdat latere nieuwkomers dit geen aantrekkelijk gebied vonden om zich te vestigen.

De tweede component K3 lijkt voornamelijk Saksisch te zijn. In de tijd van de volksverhuizing vertrokken Saksen naar o.a. het noorden van Nederland, waar zij de naam van de Friezen overnamen; andere Saksen (en Angelen) vertrokken naar Engeland; dit is de reden voor de verwantschap tussen Fries en Engels. Weer anderen zijn in ons land uiteraard het meest aanwezig rond Twente.
Sommige Friezen hebben zich rond de 9e eeuw gevestigd in de Vechtstreek, waar zij dorpen zoals Maarssen stichtten. Ook in Barneveld is deze component hoog; het is mij onduidelijk of hier ook sprake is van Friese invloed, of dat het gebied vanuit het oosten van Gelderland is herbevolkt. Dit moet in de middeleeuwen gebeurd zijn, want ook de Gelderse Vallei is lange tijd ontvolkt geweest.

De derde component K4 contrasteert allereerst met de eerste component; het lijkt in essentie verspreid met de Klokbekercultuur en de Kelten. Gezien de verdere verspreiding lijkt het hierna nog door de Franken te zijn verspreid; de concentratie rond Kampen, het vestigingsgebied van de Salische Franken, kan erop duiden dat de Franken mogelijk een mengsel zijn van K1 en K4. De aanwezigheid van K1 in Brabant en Limburg is dan wellicht ook aan de Franken toe te schrijven. De concentratie van K4 is op de Veluwe vermoedelijk hoger, hetgeen nieuwe samples zouden moeten uitwijzen. De Franken hebben vermoedelijk Friese elementen in Holland sterk verlaagd. De lichte verspreiding in Drenthe en Groningen heeft misschien te maken met de veenkoloniën.